SEES.NL

Translate 

Volg ons op:

Informatie voor:  

sponsoren

donateurs

pers


Laatste nieuws

Netherlands Scientific Expedition Edgeøya Spitsbergen

Contact informatie
startpagina
historie
edgeøya
oude gegevens
nieuwe gegevens
media
laatste nieuws
twitter
facebook
slot event
academische jaarprijs
over de expeditie
televisie
weblogs
radio
kranten
websites
overig

media > over de expeditie > weblogs

nieuws opgeven inloggen



Dagblad van het Noorden door Maaike Borst

Expeditieblog (1): Keukenhandschoenen



Het zijn niet de eerste dingen waar je aan denkt om mee te nemen op poolexpeditie: keukenhandschoenen. Toch zitten ze in mijn rugtas die, gewassen en gezogen, klaarstaat voor mijn reis naar Spitsbergen. Het zijn van die mooie knalgele exemplaren, voor een euro ingeslagen bij de Blokker.

Dat zijn de betere prijzen. Als je de stinkende mazzel hebt dat je als journalist mee mag op een poolexpeditie met vijftig wetenschappers, ben je vooral dolblij. Pas na een week stuiteren schieten de uitzinnige prijzen van een fatsoenlijke reisuitrusting door je hoofd. Bergwandelingen in de Alpen overleefde ik nog wel met mijn oude fleecevest, goedkope regenponcho en tweedehands ski-jasje.

Koud
Maar of ik daar op Spitsbergen, duizend kilometer van de Noordpool, ook mee wegkom? Het is daar weliswaar zomer en een paar graden boven nul, maar de hele dag buiten in wind en regen voelt een stuk kouder.

Gelukkig hebben de expeditieleiders van het Groningse Arctisch Centrum tips. Gericht op wetenschappers die ook niet dagelijks in de ijzige wildernis komen of steenrijk zijn.

Keukenhandschoenen dus. Trek ze over je gewone handschoenen aan, en je vingers zijn beschermd tegen water, wind en kou. Want het allerbelangrijkste voor een gelukkig verblijf in het poolgebied is: niet nat worden.

Bescherming
Daarvoor mag je van de expeditieleiders ook gewoon - hoera! - een regenpak van veertig euro meenemen. Stijf en slecht ademend, maar droog. En ach, wetenschappelijk onderzoek is toch niet de meest beweeglijke sport.

Met thermisch ondergoed en een winddichte jas van Marktplaats - knalpaars mooi kleurend bij de gele handschoenen - is mijn uitrusting compleet. Dan begint de grote schoonmaak.

Schoon
Wie naar arctisch gebied gaat moet namelijk voorkomen dat er uitheemse soorten als verstekeling in je broekzakken meereizen om zich in het poolgebied te vestigen. Schoenen afspoelen, zolen krabben, tas uitzuigen, met een plakroller het stof verwijderen, alle kleren eerst wassen. Elk spoortje van vreemde zaadjes, grassen, micro-organismen, paddenstoelen moet worden vernietigd.

Leven nestelt zich net zo makkelijk in de onwaarschijnlijkste kleine hoeken en gaten, als in de meest onherbergzame poolgebieden. Ik ga ze waarschijnlijk zien: de ijsberen, de walvissen, de rendieren, de walrussen. Met mijn keukenhandschoenen aan.

Ik kan niet wachten.


Expeditieblog (2): Dertien minuten

Pas op!
Mijn tentje is blauw met grijs en heeft felgroene scheerlijnen. Dat had de campingbaas me van tevoren al gemaild. De camping ligt aan mijn voeten, aan de baai van Longyearbyen, met een strand vol stenen en aan de overkant kale bergen.

Ik ben net de terminal van het vliegveld uitgestapt. Voor me staat een waarschuwingsbord: in de roodomrande driehoek staat een plaatje van een ijsbeer. Pas op! Tussen de bagage op de lopende band stond al een indrukwekkend opgezet exemplaar.

Welkom op Spitsbergen.

Geen ongerept paradijs
We zakten door het wolkendek en ineens was het daar. Een sprookjesachtig poollandschap. Donkergrijze pieken staken uit boven een deken van sneeuw. Spitse pieken met witte strepen waren het. De naamgevers van het eiland.

In de tien minuten die we verder daalden veranderde het landschap. De sneeuwdeken verdween en mosgroene valleien kwamen tevoorschijn, waar zelfs water in stroomde. Op de bergen verschenen gletsjers. Heel veel gletsjers.

De eerste huizen kwamen pas in zicht toen het vliegtuig al bijna was geland. Bij die huizen stond een grote kraan, en de grond eromheen was zwart. Wie denkt dat Spitsbergen een volledig ongerept paradijs is komt bedrogen uit, zo waarschuwde mijn reisgidsje al. Bij Longyearbyen zijn bijvoorbeeld kolenmijnen. En dat zie je.



Welcome @ camping
De camping ligt naast het vliegveld. Vijftig meter naar beneden lopen en je bent er. Ik zie de tenten in het steenlandschap staan, voel hoeveel kouder het hier is dan op het Noorse vasteland en slik. Was het wel echt zo'n goed idee, kamperen op Spitsbergen?

Ik ben in ieder geval niet de enige. Mijn gereserveerde tentje staat tussen een hele verzameling koepeltentjes. Er hangt een kaartje aan: 'Welcome @ camping, Maaike Borst'. Ik krijg het al iets warmer, zeker als ik de gerieflijke verblijfsruimte ontdek en de eerste blauwe jas van de SEES-expeditie spot.

Van de camping naar het stadje Longyearbyen is het een half uur lopen. Ik zie mannen met mutsen lopen, volg de expeditie-adviezen op en trek voor de zekerheid een thermische maillot onder mijn broek aan. Ik zet de pas erin en een kwartier heb ik het snikheet.

Volledig beschut
'Uit dat ding!', denk ik als ik aankom, maar twijfel toch even: zal het vanavond op de terugweg niet veel kouder zijn? Nee natuurlijk niet, realiseer ik me dan - net zomin als ik die zaklamp nodig heb voor de camping.

De zon gaat hier vandaag pas om 0.54 uur onder.

En komt om 01.07 uur alweer op.

Zwetend van de wandeling heb ik inmiddels volledig vertrouwen gekregen in de beschutting van mijn blauwgrijze tentje met zijn felgroene scheerlijnen. Nu maar hopen dat dertien minuten slaap genoeg is.


Expeditieblog (3): Campingvos



Het is een schatje. De poolvos struint rond de camping van Longyearbyen. Enigszins op zijn hoede voor de enthousiaste kampeerders, maar nauwelijks bevreesd. De zomer loopt ten einde op Spitsbergen, veel vogels zijn al vertrokken, de eieren zijn op. De vos komt eens kijken wat de mensen hem te bieden hebben aan etensresten.

Eind augustus is hier een tijd van verandering. De zon gaat voor het eerst in maanden weer onder, ook al is het maar een paar minuten per nacht. Vannacht is een koude wind opgestoken die mijn tent deed klapperen en me samen met het licht en het ultradunne matje lang wakker hield. Ook is het gaan regenen.

Wij, de stoere poolexpeditieleden, zitten dus binnen in het verwarmde campinggebouw.



IJsbeerverhalen
De ervaren rotten vertellen prachtige verhalen over hoe hier vroeger in Longyearbyen nog geen blik bonen te koop was, hoe ze vlees te drogen hingen, voorraden meesleepten, kamp opzetten.

En natuurlijk komen de ijsbeerverhalen voorbij. Een vogelonderzoeker heeft ze een week geleden gezien in Ny-Alesund, het onderzoeksdorp ten noorden van Longyearbyen. Twee moeders met twee jongen die zich tegoed deden aan een walruskadaver.

,,Zo wil je wel ijsberen zien'', zegt hij. ,,Als ze een volle maag hebben.''

De zee-specialist die hier is om de zwemmende vleugelslak te bestuderen, denkt dat het gevaar wel meevalt. Meestal lopen beren gewoon weg, heeft hij gehoord. ,,Nee'', zegt een oude rot in het poolonderzoek die er ooit een tegenkwam. ,,Een ijsbeer loopt je nooit voorbij.''

Ik ben op Spitsbergen, voor het eerst van mijn leven, en natuurlijk wil ik naar buiten. Of eigenlijk naar boven, mijn natuurlijke neiging als ik in bergachtig gebied ben. Maar dit is geen gewoon gebied, dit is wildernis. In je eentje een stukje wandelen kan heel slecht aflopen.

Eten
De kans op een ontmoeting met een ijsbeer is hier bij Longyearbyen miniem. Toch is er twee jaar geleden een meisje op de berg bij de camping aangevallen. Hoe het met haar is afgelopen durf ik niet te vragen. Een studente stelt de voor de hand liggende vraag: waarom slapen we hier dan in tentjes?

Het is dubbel, zegt Frank van de camping. Hij gaat altijd met een geweer op pad en is nog nooit een beer tegengekomen. Soms denkt hij dat de gidsen het gevaar graag overdrijven. Maar door de klimaatverandering zoeken de beren wel naar andere manieren om aan eten te komen.

Net als onze schattige poolvos.

Ik volg het beestje voorzichtig rond het campinggebouw. In zijn dunne grijze zomervacht is hij maar zo groot als een stevige huiskat. Straks krijgt hij zijn prachtige dikke witte wintervacht, als hij tenminste genoeg eten kan vinden om de kou aan te kunnen.

De vos is het wilde roofdier waar ik het vandaag maar even bij laat. De opgezette ijsbeer in het Spitsbergen-museum niet meegerekend.






Expeditieblog (4): Het echte werk



Het tentzeil maakt me wakker. Het slaat me tegen mijn wang, koud en vochtig. Windstoten drukken het tentje plat, regen slaat op het doek. Het is vier uur 's nachts, nog steeds licht en mijn botten doen pijn van de rubberen matjes - ik heb ze vier hoog opgestapeld maar dat helpt niks.

Okee, denk ik, dit voelt wel als een expeditie.

Toch begint de echte expeditie pas vandaag. Om vier uur vanmiddag gaan we aan boord van de Ortelius, het schip dat ons negen dagen lang rond Spitsbergen zal varen. Na twee dagen rondhangen in het grauwe Longyearbyen begint nu het echte werk. De zee op, en vanaf het schip aan land in de verlaten wildernis. Om onderzoek te doen natuurlijk, maar stiekem ook gewoon om het landschap en de dieren te bewonderen.

Zeeziek
Een onderzoeker van Rijkswaterstaat, de man die al een maand dag en nacht monsters neemt van allerlei meertjes op Spitsbergen - 'mijn dag begon op 17 juli en duurt nog steeds voort' - kijkt bezorgd naar de golfslag in het fjord.



De eerste keer dat hij naar Edgeøya ging, het eiland aan de oostkant van Spitsbergen dat onze uiteindelijke bestemming is, was hij doodziek. Iedereen wordt zeeziek, zegt hij, maar de meeste mensen komen daar wel overheen.

Hij niet.

Alle hens aan dek
Ik vrees dat ook ik er slecht tegen kan. Aan dek blijven, dat is het advies. Is het niet tegen zeeziekte, dan wel om niets te missen. Mensen die klagen dat ze geen walvissen zien, zitten altijd binnen, zei de ervaren poolreiziger al tegen me.

Dus ik sta buiten. Dag en nacht als het nodig is. Want wanneer ga je naar binnen om te slapen als je langs de kust van Spitsbergen vaart en het altijd licht blijft?

Ik heb twee nachten gesmacht naar een zacht matras, een warme kamer en een gordijn om dicht te doen, maar ik vermoed dat het me vanavond allemaal een zorg zal zijn.




Expeditieblog (5): De ijsbeer

De ijsbeer was een stipje door een verrekijker. Een bewegend wit stipje, precies op de plek waar we aan land zouden gaan. Zouden. Want de regel is: als er ergens een ijsbeer loopt, gaan we niet. Om onszelf niet in gevaar te brengen, maar de beer ook niet. Als hij aanvalt, mogen onze gidsen de beer - als hij binnen dertig meter afstand is - doodschieten.

Dat wil niemand.

Ik heb het bewegende witte stipje niet gezien. Ik kreeg met een klein clubje lotgenoten een verlate veiligheidsbriefing. We waren net wat opgekrabbeld uit een diep dal van zeeziekte.

Het begon 's avonds in het restaurant. De deining zat al snel niet meer in het schip maar in mijn maag. Ondertussen vertelde een wetenschapsjournaliste, vroeger walvisgids in Noorwegen, hoe grappig het was hoe toeristen uit verschillende culturen omgaan met zeeziekte. Botte Amerikanen en Nederlanders braken met veel misbaar overboord, Japanners doen het beschaamd in hun borstzakje.

Dat was te veel. Ik zocht frisse lucht. Buiten was van Spitsbergen weinig te zien, we voeren ver uit de kust en de wolken hingen laag en verborgen de meeste bergen en gletsjers.

Even heb ik daarna nog geprobeerd in de bar te luisteren naar de welkomstwoorden. Ik zag een stralende Maarten Loonen, de wetenschappelijke expeditieleider uit Groningen die zes jaar bezig is geweest deze reis voor elkaar te krijgen, en de gidsen, waarvan ook veel uit Groningen, die allemaal dolblij waren dat het ging beginnen.

Ook schudde ik Louwrens Hacquebord nog even de hand, de grote Groningse poolprofessor die met pensioen is en hier gewoon meereist als gids. Hij was het die de de zodiac bestuurde die me aan boord bracht van de Ortelius.

Daarna was het klaar. Ik vluchtte naar buiten, naar de reling, waar een geelgroen uigeslagen jongen voor me aan de kant ging. Ik deed wat hij daarvoor ook had gedaan, het was te zien aan de sporen op de zijkant van het schip.

Na afloop glimlachten we naar elkaar en stelden ons netjes voor. Hij was hier om een weerstation te plaatsen op een gletsjer, maar eerst - 'sorry' - hing hij nog even zijn hoofd over de rand.

Het duurde tot elf uur vanochtend. We waren om de zuidpunt van Spitsbergen gevaren en hadden het kalmere water van het Storfjord tussen West-Spitsbergen en Edgeøya bereikt. En dus zat ik om half twaalf bij de inhaalsessie van de veiligheidsinstructie van die ochtend toen werd omgeroepen dat er een ijsbeer op onze landingsplek liep. Het schieten van een ijsbeer, had ik net geleerd, wordt hier net zo grondig onderzocht als de moord op een mens.

We voeren dus verder, en na een uur was alles van die hele ellendige nacht vergeten. Eerst was er één walvis, die in de verte spoot en zijn rug liet zien. Daarna waren er vier, redelijk dichtbij het schip. Twee bultruggen, een gewone vinvis en een dwergvinvis. En in de verte, voor de kust die met zijn bergen en gletsjers prachtig lag te blinken in de zon, spoten er zeker nog twee. De dwergvinvis kwam het dichtste bij. Na elke spuit kwam zijn zwarte rug met vin uit het water. Je kon hem horen, die spuit. Zo dichtbij.

Dat stipje van die ijsbeer kon ik vandaag best even missen.


Expeditieblog (6): Om te janken



Grote woorden
Voordat ik op deze poolreis ging, zag ik een filmpje met Ramsey Nasr die vertelde hoe mooi Spitsbergen was. Het was een dramatisch filmpje, waarin hij grote woorden gebruikte en zei dat je hier pas echt voelt dat je leeft.

Ik dacht: zo kan ie wel weer.

Ik ben nu vijf dagen op Spitsbergen, twee echte expeditiedagen gehad, en ik kom er niet onderuit. Ik ga grote woorden gebruiken. Het is hier zo ongelooflijk mooi dat ik wel kan janken.



Ontroering
De zon scheen vandaag op het pakijs. Alleen dat was al genoeg geweest. De schittering, de eindeloos verschillende ijsformaties in wit, blauw en zilver, het geluid van schurend en afbrokkelend ijs, de druppels smeltwater op het zeeoppervlakte, het steeds veranderende zicht omdat alles drijft.

De ontroering was een dag eerder al toegeslagen door de walvissen, en tijdens een 'zodiaccruise' langs een vogelklif waar jonge dik- of kortbekzeekoeten (mag allebei, zeggen de specialisten hier) vanaf sprongen.

De klif was honderden meters hoog en vliegen kunnen ze nog niet, die arme schatten. De vaders zitten beneden te roepen 'spring, spring, spring' en als ze dan dapper genoeg zijn zweven ze naar beneden, liefdevol begeleid door de moeders die proberen bij te sturen waar nodig. Vlak over onze hoofden doken ze, vooruit geblazen door de wind.



In het zonnetje
Maar vandaag sloeg alles. Na het varen met de zodiac door het pakijs, met aan de overkant kraakhelder zicht op bergen, gletsjers en sneeuw van West-Spitsbergen, lagen de walrussen ons op te wachten op het strand. Heerlijk dicht tegen elkaar aangepropt in de zon, slagtanden omhoog, vinnen zo nu en dan krabbend aan lijf en neus.

Ik zat in het zonnetje te kijken, de temperatuur was 's middags opgelopen tot een hier uitzonderlijke 14 graden, toen een enorme mannetjeswalrus aan kwam zwemmen, zijn kop eerst een paar keer onderzoekend boven water stak - die tanden! - en aan land ging. Na een meter of twee schuifelen met dat gigantische lijf legde hij steeds even zijn kop neer. Hij had het warm. Uiteindelijk schoof hij, onder luid gemor van de rest, aan bij de troep.

Ramsey Nasr
Gewoon om het te zien, van zo dichtbij, zo'n simpele handeling, van zo'n bizar beest, het is hier, in deze omgeving, adembenemend.

De hele dag liep ik verder rond met twee oude mannen die hier decennia geleden overwinterden, voor wie het hier zo vertrouwd is als thuis. Ze vertelden verhalen en maakten naast al dat natuurschoon - we liepen langs bergen zo kaal en rotsig als in de woestijn en zagen nog een ringelrob, een poolvos en rendieren in de verte - ook de geschiedenis van de plek nog voelbaar.

We wandelden zo rustig dat ik vaak in stilte kon staan, van bovenaf starend over de kust en het pakijs en de zon die alles deed fonkelen. De tranen stonden in mijn ogen. Dat ik nog net niet huilde, kwam waarschijnlijk omdat Ramsey Nasr naast me stond.


Expeditieblog (7): The big picture



Vogelaar
Ik ben geen vogelaar. Ik vind het fijn als er vogels zijn en geniet van de spectaculaire vluchten van de boerenzwaluwen rond ons huis en hun gekwetter op het dak. Maar ik heb nog nooit een verrekijker gepakt om naar een vogel te kijken. Laat staan een telescoop.

Ik heb daar het oog niet voor. Ik kijk naar landschappen. Bij voorkeur ruige landschappen met weidse vergezichten: hoog in de bergen, of rotswoestijnen. Bossen kan ik ook best prachtig vinden, maar mijn hart gaat er nooit sneller van kloppen.

Hier zie ik ze, de vogelaars. Deze poolexpeditie heeft er veel meegenomen. Temidden van de meest spectaculaire landschappen richten ze hun verrekijkers op Noorse stormvogels, drieteenmeeuwen, kleine rietganzen, grote burgemeesters, zeekoeten en ivoormeeuwen.

Ongeduld
Ik probeer het ook. Ik heb een verrekijker mee, die zo nu en dan ook echt om mijn nek hangt, en dan speur ik naar de vogels. Even maar. Dan word ik ongeduldig.

Ik wil alles zien. In één blik.



Stoppen
Zaterdag maakten we een lange wandeling vanaf de kust van West-Spitsbergen op zoek naar een kolonie ivoormeeuwen in de bergen. Een schitterende tocht. Als ik heel eerlijk was, maakte het mij niet heel veel uit of we de kolonie zouden vinden of niet. Ik genoot van het landschap - en trouwens ook van de verbetenheid van de mannen die koste wat kost bij die kolonie moesten komen.

Onderweg vielen twee jonge onderzoeksters soms op hun knieën. Niet omdat het te zwaar was, maar vanwege een plantje of een mosje. Alles verzamelden ze. Een andere wetenschapper smeekte de gidsen bijna of hij even wat ganzenkeutels mocht verzamelen. Een geoloog vertelde over de herkomst van de bobbeltjes op de stenen. De gids stopte regelmatig: voor eidereendendons, sneeuwalgen, of ijzerafzettingen.

Ongeschikt
Ik had overal overheen gekeken. Met een glimlach, die volgens een Australische zeehondenonderzoeker al dagen op mijn gezicht zit, zag ik de bergen, de gletsjers, de sneeuw, de rotsen, de rivier die er doorheen stroomde, de mist die binnen kwam drijven en over de bergen viel, het licht dat steeds veranderde.

De zeldzame bloemetjes zag ik niet, de rare bolvormige stenen zag ik niet, de lijnen in de rotsen zag ik niet, de ijsbeersporen in de sneeuw zag ik niet.

Ik vind het geweldig, al die wetenschap hier aan boord. Maar ik vrees dat ik er niet geschikt voor ben.




Expeditieblog (8): Grijs



Koude vingers
Stientje van Veldhoven van D66 heeft warmhoudzakjes waar je in je handschoenen je vingers tegenaan kunt duwen. Ik mocht er een lenen. Geweldige dingen.

We stonden aan de rand van een bergmeer waarvan we de overkant niet konden zien. Het was mistig. Het grijze meer golfde, want het waaide ook stevig. Het regende nauwelijks, maar zonder dat ik het in de gaten had waren mijn handschoenen toch nat geworden van de vochtige lucht.

Het was koud. De zon van de afgelopen dagen heeft ons verlaten.

Grijs
's Ochtends had ik mijn zoontje nog aan de telefoon gehad die bij een graadje of 25 op de camping Ice Age speelde en vertelde dat zijn beste vriendinnetje verliefd op hem was.

Nu was alles grijs. Het meer, de lucht, de stenen. Aan de waterkant nam een bioloog monsters van het water om te kijken naar het minuscule leven, zoals watervlooien, dat erin zat. Heel weinig, zo bleek. De bioloog keek naar het doodse water, glimlachte en zei: dat had ik al verwacht.



Springstaarten, mos en vlooien
Verderop zat een jonge bioloog stenen om te draaien. Hij had een plastic buisje in zijn mond waarmee hij springstaarten ving. Hij zoog ze een stukje op, die kleine zwarte insectjes, en stopte ze in een doorzichtig buisje. Springstaarten, vertelde hij, leven al 400 miljoen jaar op aarde en zijn belangrijk voor de bodemecologie. Ze eten schimmels, zijn voer voor roofmijten en spinnen en spelen een grote rol in de reproductie van mossen.

De toendra van Spitsbergen staat vol met mossen, in allerlei tinten. De mossenonderzoekers waren vandaag beneden gebleven om daar hun monsters te nemen. Ze hadden een goede dag. Hier op de noordpunt van het eiland Barentsøya, waar we naartoe zijn uitgeweken omdat er elders te veel ijs lag, is maar heel weinig onderzoek gedaan naar mossen.

De bioloog van de watervlooien verzamelde ook sieralgen voor een collega, hij krabde met zijn nagel in het glibberige laagje op de stenen die in het water lagen. Als je ze onder de microscoop legt, zei hij, zie je de meest schitterende vormen.

Bomen
Uiteindelijk had zelfs onze doorgewinterde gids het koud - geen warmhoudzakjes - dus we daalden af naar de kust, waar we nog een stukje omliepen om verse ganzenpoep te verzamelen. We staken stukken van de toendra over die zo zompig waren als een moeras. Onze laarzen zakten diep weg.

Toch is die vlakke toendra in werkelijkheid voor een groot deel begroeid met bomen. De poolwilg met name: een boom die horizontaal groeit en niet veel hoger wordt dan een paar centimeter. In deze tijd van het jaar kleurt hij al geel.

Die poolwilg is voer voor grappen, over boswandelingen en erin klimmen als er een ijsbeer aankomt bijvoorbeeld. In Longyearbyen werd de eerste al gemaakt. Je zal er maar wonen, zei iemand, in zo'n grauwe nederzetting waar de zon zich 's winters maandenlang niet laat zien, met niet eens een fatsoenlijke boom om je aan op te hangen.




Expeditieblog (9): Beren op de weg

,,Een ijsbeermoeder met twee cubs. Links van het schip. Ik herhaal: links van het schip zwemt ijsbeermoeder met twee cubs.''

Onrust aan boord. Op sokken en met alleen een T-shirt aan rennen passagiers naar het koude dek. Stilliggen of keren om zwemmende beren beter te zien mag niet van de Noorse wet dus we moeten snel zijn. Met het blote oog is eerst niets te zien, wel op de camera's met superzoom van mijn reisgenoten.

Pas als de beren achter het schip op een ijsschots klimmen zie ik ze. Of ik zie in ieder geval iets bewegen in de verte.



Dubbele relatie
De toeristenindustrie hier heeft een dubbele relatie met de ijsbeer. Ze zijn dé grote attractie van dit gebied, iedereen wil ze zien, maar ondertussen kunnen ze ook flink in de weg lopen. Een beer op de plek waar de passagiers aan land zouden gaan, betekent doorvaren en andere plannen maken. We komen hier om beren te zien, maar blijven wel zo veel mogelijk uit de buurt.

De beren hebben al wat plannen van de expeditie in de war geschopt, en zo ging het ook maandag. Een chaotische dag. De eerste geplande landing kon niet doorgaan omdat er een ander cruiseschip al bleek te liggen, gevalletje miscommunicatie, en op de tweede landingsplek liep een beer.

Het alternatief: een zodiakcruise. Dat is een luxe term voor een ijskoud tochtje in een rubberboot. Niet mijn favoriet, ik loop liever. Gelukkig voeren we langs een spectaculaire gletsjerwand vol gigantische scheuren. Enge verhalen gingen rond over ongelukken met toeristen die te dichtbij waren op momenten dat er een stuk ijs van een gletsjer afbrak. We bleven dus keurig op afstand.



Magische gletsjer
Ik was altijd behoorlijk onder de indruk van de gletsjers in de Alpen, maar ze zijn niets vergeleken bij wat je hier ziet. Zo enorm. Zondagavond voeren we langs een van de grotere hier, met een kilometers lange ijswand aan de kust. Voor de gletsjer lag de zee vol afgebroken ijsschotsen, die niet wit zijn, zoals het zee-ijs, maar allerlei tinten blauw. De oudste stukken ijs, waar in miljoenen jaren al het lucht uit is geperst, zijn helemaal helder. Uitstekend voor in de bar, zeggen de gidsen.

Het schip koerste dwars door het ijs. Dat was magisch, en tegelijk wat onrustbarend als de schotsen tegen de boeg knalden en het ijs schuurde. Andere ijsschotsen knisperden in de golven, zoals een ijsklontje knispert in een drankje, maar dan veel harder. Prachtig geluid.



Schattig kopje
De zodiakcruise ging op zoek naar de beer. Nu hij het programma in de war had geschopt wilden we hem natuurlijk ook graag zien, maar hij hield zich eerst verstopt tussen de morenenheuvels. Na twee uur kwam hij dan toch tevoorschijn, en negen zodiaks vol verkleumde mensen voeren zijn kant op terwijl hij langs de kust liep.

Het was de eerste beer waar we rustig naar konden kijken. Af en toe keek hij wel wat bezorgd achterom, en liep dan snel weer verder. Een schattig koppie zo door de verrekijker, maar uit zijn loop straalde een hoeveelheid kracht waar je niet tegenover wil staan. Toen de beer ging rennen trokken we ons terug, want we mochten hem niet verstoren. Hier staat de beer boven de mens.


Expeditieblog (10): Badgasten



De zon is teruggekeerd. Hij kwam gistermiddag en scheen over de toendra die geel was van de verkleurde poolwilg. Om de toendra stonden donkerbruine, bijna zwarte bergen. Kale bergen met soms een gletsjer bovenop.

De zon
We stonden in een grote rivierdelta. In de modder zaten verse voetafdrukken van een ijsbeer, dus onze gids was extra waakzaam. Maar met de zon ontspande alles. We vielen op onze knieën om kleine bloemetjes te fotograferen en trokken lagen kleren uit.

Een van de wetenschappers waadde zelfs tot zijn middel door het water om monsters te nemen. De zon stond laag en hij had een baard, dus toen hij met grote stappen uit de rivier op ons afkwam zag het eruit als een Jupiler-reclame.

Poolonderzoek vergt ontbering. Dit viel mee, want we waren in de luwte en in de zon, maar een paar uur daarvoor zaten we nog in een zodiak met de wind om ons hoofd en liet de geoloog , die al misselijk was van de deining, met zijn blote handen grondboren in het ijskoude water zakken. Ik keek toe met mijn handschoenen aan en bibberde al over mijn hele lijf.



Boren
Zodra ons schip vaart zitten vogeltellers urenlang in de kou voorop het schip. Archeologen blijven gerust van acht uur 's ochtends tot elf uur 's avonds zonder beschutting en zonder opwarmende beweging aan land. Om te kunnen boren in meertjes worden nauwelijks te tillen kisten vol apparatuur het land op gesjouwd. Marinebiologen zitten gerust urenlang in de zodiak op zoek naar een roofslak met de prachtige naam zee-engel.

Natuurlijk is het niets vergeleken met wat de overwinteraars in 1968 en 1969 doorstonden. Zij noemen dit een 'excursie', het woord expeditie maken ze aan dit tripje niet vuil. Onderzoekers en toeristen aan boord zijn 'onze badgasten'. En eerlijk is eerlijk, met de luxe van hete douches, zachte bedden en een prima restaurant aan boord, hebben ze een punt.



Achter de horizon
De zon die was teruggekeerd verdween ook weer. Om half twaalf zakte hij - in het noorden - in zee. Volgens de gidsen was het voor het eerst deze zomer dat je hem achter de horizon kon zien verdwijnen. Ik vroeg me af hoe het zat met het weerappje op mijn telefoon dat me vorige week al vertelde dat de zon dertien minuten onder ging. Volgens weerman Peter Kuipers Munneke zijn er meerdere definities van de precieze zonsondergang en kan dat zeker in noordelijke gebieden groot verschil maken.

Er zijn momenten dat je de wetenschap beter even kunt laten voor wat het is en het gewoon moet doen met wat je ziet. Zeker op Spitsbergen, waar ijs, wind, mist, bewolking en zon alles in een klap kunnen veranderen.

De zon zakte in zee. En het was mooi.


Expeditieblog (11): Altijd wat



Elke ochtend worden we hier op de Ortelius wakker met de gemoedelijke stem van expeditieleder Jan. ,,Een hele goede morgen'', zegt hij dan. ,,Het is nu zeven uur.'' Dan geeft hij een update over locatie, zicht, wind en temperatuur en zegt dat het ontbijt om half acht begint.

Propvol cruiseleven
Voor wie alles mee wil maken zit het cruiseleven propvol. Na dat ontbijt moeten we lunchpakketjes maken, dan is er een bijeenkomst in de bar waarin de planning wordt doorgenomen, hijsen we ons in zes lagen kleren, gaan we als er geen ijsbeer rondwandelt aan land, maken we een zodiakcruise of volgen een lezing als er toch een bewegende stip is gesignaleerd, gaan bij terugkomst direct door naar het avondeten, vervolgens een bijeenkomst in de bar om de dag door te nemen en daarna nog een lezing of film en een borrel in de bar. Voor wie dan nog op zijn benen staat.

Eigenwijze wetenschappers
Het is een enorme operatie. Deze expeditie nog meer dan een gewone georganiseerde Spitsbergenreis omdat er allemaal eigenwijze wetenschappers aan boord zijn die graag hun ding willen doen. De een op zoek naar meertjes, de ander naar paddenstoelen, de volgende naar ganzenkeutels. Archeologen willen naar een specifieke site, zeehondenonderzoekers van Imares hopen walrussen te observeren, marinebiologen nemen watermonsters, een TNO-onderzoekers wil sedimentboringen doen van de zeebodem.

Dan zijn er ook nog de toeristen, die mooie dingen willen zien en waaronder sommige lange wandelingen willen maken en andere korte. En ieder groepje heeft zijn eigen wapendrager nodig, want altijd kan die ijsbeer op de loer liggen.

Niet iedereen krijgt zijn zin. Dat moge duidelijk zijn. Toch ogen de meeste deelnemers, zo tegen het einde van de expeditie, tevreden.

Beren aan land
Gisteren ging een potentieel schitterende wandeling en vruchtbaar onderzoek verloren door beren aan land. We zaten dus weer te cruisen in een rubberbootje en ik sprak een sociaal wetenschapper die al die interactie aan boord, en de spanningen tussen wetenschappelijke en toeristische doelen, in de gaten houdt. Hij vergelijkt zelfs wat mensen daarover in de bar zeggen met hoe ze in de praktijk handelen. Verder leek het een vriendelijke jongen.



Na de cruise hadden we zowaar wat tijd over, omdat we de terugweg al gedeeltelijk inzetten en dus kilometers moesten maken. Gelukkig was er in de tussentijd wel een wetenschappelijke discussie over klimaatverandering en vond de organisatie dat het tijd was voor een groepsfoto - bij voorkeur met de blauwe jassen van sponsor NWO aan.



Net toen iedereen verzamelde op het helikopterdek zwommen er vier vinvissen vlak voor het schip. Ze spoten prachtig na elkaar hun water in de lucht, doken daarna weer onder en kwamen steeds dichterbij. De sociale wetenschapper heeft vast genoteerd dat het op dat moment, voor het eerst deze reis, even echt stil was aan boord.

Het groepsfotomoment liep ondertussen wel flinke vertraging op. Zo is hier ook altijd wat.


Expeditieblog (12): Vleugel



Maarten Loonen heeft een vleugel van een brandgans in zijn hand. Hij spreidt hem uit en klapt hem weer in als een waaier. Aan de botjes zit nog wat bloed. Een van de botten in doormidden gebeten. ,,Zo weet je dat een poolvos hem te pakken heeft gekregen'', zegt Loonen.

Aan de staartpennen ziet hij ook dat het een vogel in de rui was, en dat hij nog niet op alle veren witte puntjes hebben betekent dat het een jonge brandgans was die zijn eerste jaar niet heeft overleefd.

Afscheid
We lopen over de toendra, voor de laatste keer. Het is weer een prachtige plek, onder een vogelklif waar duizenden drieteenmeeuwen cirkelen. We kijken uit over een baai in de Hornsund, een spectaculair fjord met grote gletsjers en ruige bergtoppen aan de westkant van Spitsbergen. Voor ons scharrelen expeditieleden, sommige wetenschappers nemen nog monsters - die pakken wat ze pakken kunnen - maar de meesten nemen al slenterend afscheid van het landschap.



Door al die wetenschappers die ons en elkaar zo veel hebben vertelt en geleerd, is het een gedetailleerd afscheid. Dag korstmos, dag springstaart, dag ijswig, dag kleine jager - jij parasitaire rotzak - dag steenbreek, dag kleine rietgans, dag algen, dag zeehond, dag virussen, dag lepelblad, dag permafrost, dag drieteenmeeuw (duizend keer), dag rendierspoor, dag polygoon, dag vossenkaak, dag ganzenkeutel, dag gasteromyceten.

Brandgans
Loonen, de dromer die deze expeditie mogelijk heeft gemaakt, is gelukkig. Dat was hij al, en die vleugel van de brandgans - 'mijn gansjes' - is een extraatje. ,,Moet je voelen hoe zacht'', zegt hij met zijn Brabantse tongval. Hij streelt over de vleugels van het vandaag nog overleden dier. ,,Die vos moet hier ergens zitten.''

Het is afgelopen. Dit is het laatste uitje. Ko de Korte, zeevogelbioloog en een van de overwinteraars uit de jaren zestig ligt plat op zijn buik te kijken naar de meeuwen. Dit is zijn terrein. De gletsjers in de Hornsund, weet hij nog uit 1966, lagen honderden meters verder naar voren. In die tijd stak je zo over.

Gast
Ik voel me na negen dagen nog net zo te gast als aan het begin van de reis. Dit land is niet voor mensen, bij elke stap die we hier zetten staan bewakers op de uitkijk, geweren over de schouders en altijd alert. Ik ben hier niet vrij. Gelukkig maar, want dat betekent dat de ijsbeer nog leeft en heerst.



Over de kwetsbaarheid van het gebied is de afgelopen dagen veel gezegd. Tegelijkertijd is er dat enorme aanpassingsvermogen van de natuur, de meest bizarre en wonderlijke processen die mensen nooit zouden kunnen bedenken maar waar de wetenschappers, zij die vastbesloten hun leven lang de kleinste details uitdiepen, steeds weer op stuiten.

Overboord
De poolvos laat zich niet zien. Die weet wel beter. Met tegenzin lopen we weer naar de zodiaks, we moeten terug. Aan boord van het schip, op weg naar de haven. De meertjesman neemt stiekem nog een monster, ik blijf zo lang mogelijk zitten in de zon.

In de zodiak heeft Loonen de ganzenvleugel nog steeds in zijn hand. Alsof het een knuffelbeest is. Hij spreidt hem weer uit, laat zijn buurman nog een keer voelen, vertelt weer over de vos. Dan, vlak voordat we al stuiterend over de golven het schip hebben bereikt, gooit hij hem overboord.

Het is mooi geweest.


Einde poolexpeditie pas begin van onderzoek



De grote poolexpeditie van het Groningse Arctisch Centrum is vrijdagochtend teruggekeerd in Longyearbyen, hoofdstad van Spitsbergen. Met een symposium, waar ook minster van buitenlandse zaken Bert Koenders bij aanwezig was, is de expeditie afgesloten.

Met een symposium, waar ook minster van Buitenlandse Zaken Bert Koenders bij aanwezig was, is de expeditie afgesloten.

Tevreden
Hoewel een paar plekken niet bezocht konden worden omdat er ijsberen liepen, is wetenschappelijk expeditieleider Maarten Loonen zeer tevreden. De belangrijkste onderzoekslocatie, Kapp Lee op het eiland Edgeøya, is uitvoerig bestudeerd, er is een weerstation op een gletsjer geplaatst, vrijwel alle onderzoekers hebben - in ieder geval deels - kunnen doen wat ze van plan waren.

Het meest opmerkelijke voorlopige resultaat zijn de enorme verschillen die zijn gevonden in de vegetatie bij Kapp Lee. Die is in 1977 uitvoerig door Nederlanders in kaart gebracht. Daarmee vergeleken is de verschuiving spectaculair. Planten en mossen zijn veel verder ontwikkeld, wat erop wijst dat het groeiseizoen op Oost-Spitsbergen is verlengd.

Terug
René van der Wal van de universiteit van Aberdeen, die normaal vegetatieonderzoek doet op West-Spitsbergen heeft zulke grote verschillen nog nooit gezien. Hij staat te popelen om verder te kijken op Edge&oslas';ya. ,,Het moet heel raar lopen wil ik daar niet terugkomen.''

Ook Loonen, normaal ganzenonderzoeker, heeft meegeholpen met het in kaart brengen van de vegetatie. ,,De samenwerking tussen de disciplines was geweldig.'' Hij waarschuwt wel voor te snelle conclusies. ,,We zijn daar drie dagen bezig geweest. Nu begint het pas.''

Loonen ziet de expeditie als een startpunt. In negen dagen kun je geen onderzoek voltooien. Hij hoopt dat dit het begin was van meer samenwerking, nieuwe aanvragen voor poolonderzoek en de voortzetting van pilots die deze reis zijn gedaan.





TELEVISIE

NOS journaal
Jinek
Nieuwsuur
Jeugdjournaal


OVERZICHTEN
Weblogs
Kranten
Websites
RADIO FRAGMENTEN

> Lees meer...






NIEUWS

Twitter
Facebook
Resultaten
Lezingen
Bijeenkomst


SCHRIJVERS OVER SEES
Nienke Beintema
Maaike Borst
Ramsey Nasr

POOLSTATION.NL

Beleef de activiteiten mee op het Nederlands Poolstation op Spitsbergen.

> Lees meer...